Vraag niet wat jij met het internet doet, maar wat het internet met jou doet. Nicholas Carr beantwoordt de tweede vraag uitvoerig in zijn boek ‘Het ondiepe, hoe onze hersenen omgaan met internet’. Hij concludeert dat het internet een grotere invloed heeft op ons brein dan we ons gewoonlijk bewust zijn. Ik vind het een belangwekkend boek dat ik iedereen kan aanraden die zich voor deze materie interesseert. Het spreekt mij aan dat Carr zijn betoog niet alleen baseert op persoonlijke ervaringen en meningen, maar ook op talrijke wetenschappelijke onderzoeken en op uitspraken van filosofen en andere denkers uit het verleden. De onderstaande samenvatting van ‘Het ondiepe. Hoe onze hersenen omgaan met internet’ heb ik samengesteld uit fragmenten uit het boek. Ander blogartikelen over Carr gaan over de invloed van internet op het geheugen en intellectuele technologieën.
De voordelen van het net zijn onmiskenbaar. Maar we moeten er wel een prijs voor  betalen. De media zijn meer dan informatiekanalen. Zij leveren voedsel voor onze gedachten maar ze vormen ook ons denkproces. En het net lijkt mijn vermogen tot concentratie en contemplatie uit te hollen. Of ik nu online ben of niet, mijn hersenen zijn erop ingesteld dat ik informatie verwerk op de manier zoals het net die verspreidt: in een snel bewegende stroom van deeltjes.
Ergens in 2007 begon een lichte vorm van twijfel aan mijn informatie-paradijs te knagen. Ik merkte dat het net een veel sterkere en bredere invloed op mij uitoefende dan mijn oude pc ooit gedaan had. Dat kwam niet alleen doordat ik zo veel uren besteedde aan het staren naar een beeldscherm. Het was ook niet zozeer dat veel van mijn gewoontes en routines veranderden naarmate ik meer gewend raakte aan en afhankelijk werd van de internetsites en -diensten. Nee, het leek alsof mijn hersenen anders werkten.
Ik begon me zorgen te maken over het feit dat ik me niet langer dan een paar minuten kon concentreren. Eerst dacht ik nog dat het een symptoom was van geestelijke aftakeling – ik raakte tenslotte al op middelbare leeftijd. Maar ik realiseerde me dat mijn hersenen niet achteruitgingen, ze waren hongerig. Ze wilden gevoed worden op een manier waarop het net hen voedde. Hoe meer ze te eten kregen, hoe hongeriger ze werden. Zelfs als ik niet in de buurt van mijn computer was, verlangde ik ernaar mijn e-mail te checken, op links te klikken en te Googlen. ik wilde verbonden zijn. Ik miste mijn oude hersenen.
Het net, dat opgebouwd is uit miljoenen onderling verbonden computers en databanken, is een onmeetbaar krachtige machine, en neemt de meeste van onze intellectuele technologieën op. Het is gaandeweg onze typmachine en onze drukkerij geworden, onze kaart en onze klok, onze rekenmachine, onze telefoon, ons postkantoor en onze bibliotheek, onze radio en onze tv. Het neemt zelfs de functies van andere computers over: meer en meer van onze softwareprogramma ‘s draaien op het internet en niet meer binnen in onze thuismachines.
Ons gebruik van het net zal alleen nog maar groeien en zijn invloed groter worden naarmate het meer en meer in ons leven aanwezig is. Krachtige computers in zakformaat zoals de Apple iPhone, de Motorola Droid en de Google Nexus One hebben standaard een internetverbinding. Tegenwoordig zitten overal internetdiensten ingebouwd: in autodashboards, in televisies en zelfs in vliegtuigcabines. Al die kleine apparaten zorgen dat het net nog meer deel uitmaakt van het dagelijks leven, zodat ons universele medium nog universeler wordt.
Het net verschilt van de meeste media die het vervangt op een duidelijke en erg belangrijke manier: het werkt twee kanten op. We kunnen via het netwerk zowel berichten versturen als ontvangen. Dat maakt het systeem des te nuttiger. Met een paar muisklikken kunnen gebruikers virtuele catalogus doorbladeren, bestellingen plaatsen, bijhouden waar die zich bevinden en informatie updaten in databases van bedrijven. Het net verbindt ons niet alleen met bedrijven, maar ook met elkaar. Het is zowel een persoonlijk als een zakelijk medium. Miljoenen mensen gebruiken het om hun eigen digitale creaties te verspreiden in de vorm van blogs, video’s, foto’s, liedjes en podcasts, en om de creaties van anderen te becommentariëren of te veranderen.
Traditionele media, zelfs elektronische, worden opnieuw gepositioneerd nu ze overgaan op online-verspreiding. Wanneer het net een medium opslokt, herschept het dat medium naar zijn eigen beeld. Het ontbindt niet alleen de fysieke vorm ervan, het injecteert de inhoud met hyperlinks, hakt hem op in doorzoekbare brokken en omgeeft de inhoud met de inhoud van alle andere media die het heeft opgenomen. Al deze veranderingen in de vorm van de inhoud hebben ook invloed op de manier waarop we die inhoud gebruiken, ervaren en zelfs begrijpen.
Een pagina onlinetekst die we bekijken op een scherm lijkt misschien op een pagina gedrukte tekst. Maar bij het scrollen en klikken door een werkdocument komen fysieke handelingen en sensorische prikkels kijken die sterk verschillen van de handelingen en prikkels die we ervaren bij het vasthouden en omslaan van de pagina’s van een boek of tijdschrift. Onderzoek heeft aangetoond dat de cognitieve handeling van het lezen niet alleen een beroep doet op ons gezichtsvermogen, maar ook op ons tastzintuig. De verschuiving van het papier naar het scherm heeft niet alleen invloed op de manier waarop we door een stuk tekst navigeren, maar ook op de mate van aandacht die we eraan besteden en de mate waarin we ons in die tekst verdiepen.
Hyperlinks veranderen eveneens de manier waarop we media ervaren. In zekere zin zijn links een variatie op verwijzingen, citaten en voetnoten die kenmerkend zijn voor geschreven documenten. Maar het effect van hyperlinks op de lezers is heel anders. Links verwijzen ons niet zomaar naar gerelateerde of aanvullende werken, ze duwen ons er met kracht heen. Ze moedigen ons aan om van de ene tekst naar de andere te springen in plaats van langere tijd stil te blijven staan bij een ervan. Hyperlinks zijn bedoeld om op te vallen. Hun waarde als navigatiemiddel is niet los te zien van de afleiding die ze veroorzaken.
De doorzoekbaarheid van onlineteksten is ook een variatie op de traditionele navigatie middelen zoals inhoudsopgaven, indexen en concordanties. Maar wederom zijn de effecten heel anders. Het gemak en de snelheid waarmee je teksten kunt doorzoeken hebben tot gevolg dat je eenvoudiger van het ene digitale document naar het andere kunt springen, iets wat moeilijker is bij gedrukte documenten. Onze concentratie op een tekst wordt oppervlakkiger en tijdelijker. Bovendien zorgen zoekopdrachten voor fragmentatie van onlineteksten. Een zoekmachine richt onze aandacht vaak op een bepaald stukje tekst, een paar woorden of zinnen die relevant zijn voor datgene wat we op dat moment zoeken, terwijl we weinig prikkels krijgen om het werk als geheel tot ons te nemen. We zien het bos niet als we het web doorzoeken. We zien zelfs de bomen niet. We zien alleen takjes en bladeren.
Het internet dwingt onze aandacht veel vasthoudender af dan de radio, tv of krant ooit gedaan hebben. Kijk maar eens naar een kind dat berichtjes naar zijn vriendjes stuurt, of een student die de nieuwe berichten en verzoeken op zijn Facebook-pagina bestudeert of een zakenman die op zijn Blackberry door zijn e- mails scrolt – of naar jezelf wanneer je zoekwoorden googlet en een spoor van aaneengeschakelde links volgt. Wat je ziet is een brein dat helemaal in beslag genomen wordt door een medium.
Wanneer we online zijn, vergeten we vaak wat er om ons heen gebeurt. De echte wereld verdwijnt naar de achtergrond, terwijl we de stortvloed aan symbolen en prikkels verwerken die uit onze apparaten komt. De interactiviteit van het net versterkt dit effect.
Het navigeren op het web vereist een bijzonder intensieve vorm van mentale multitasking. Niet alleen loopt ons werkgeheugen vol met informatie, het jongleren zorgt ook voor wat wetenschappers betitelen als omschakelkosten. Telkens wanneer we onze aandacht verleggen, moeten onze hersenen zich heroriënteren, wat een verdere aanslag betekent op onze geestelijke vermogens. De hersenen hebben tijd nodig om van doel te veranderen, om zich de regels te herinneren voor de nieuwe taak en om de vorige taak, die nog doorloopt, te blokkeren. Menig onderzoek heeft aangetoond dat het switchen tussen slechts twee taken onze cognitieve belasting al aanzienlijk kan verzwaren, met als gevolg dat we moeilijker kunnen denken en de kans lopen belangrijke informatie over het hoofd te zien of verkeerd te interpreteren.
Het is belangrijk te benadrukken dat het feit dat het net alles in de gaten houdt en automatisch berichten verstuurd juist een van zijn grote krachten is als communicatietechnologie. Op basis van die eigenschappen kunnen wij het systeem personaliseren. De gigantische database zodanig programmeren dat hij inspeelt op onze eigen behoeften, interesses en verlangens. Wij willen gestoord worden omdat elke onderbreking ons waardevolle informatie brengt. Als we al die alerts uitschakelen, lopen we de kans ons niet meer op de hoogte, of zelfs sociaal geïsoleerd te voelen. De vrijwel constante stroom van nieuwe informatie die het web uitspuwt, speelt ook in op onze natuurlijke neiging ‘enorm over te waarderen’ wat er op dit moment gebeurt. We hunkeren naar het nieuwe, ook al weten we dat het nieuwe vaker triviaal is dan essentieel.
En dus vragen we het internet om ons voortdurend, op steeds meer en andere manieren, te onderbreken. We accepteren gewillig het verlies aan concentratie, de verdeling van onze aandacht en de fragmentatie van onze gedachten, in ruil voor de ‘rijkdom’ aan urgente of in ieder geval afleidende informatie die we ontvangen.
Er zijn ook lichtpuntjes. Onderzoek toont aan dat bepaalde cognitieve vaardigheden sterker worden, soms substantieel, door het gebruik van de computer en het net. Deze vaardigheden hebben vaak betrekking op de primitievere hersenfuncties zoals de oog-hand coördinatie, reflexen en het verwerken van visuele aanwijzingen.
Het zou best kunnen dat naarmate we meer bezig zijn met browsen, surfen, scannen en multitasken, onze plastische hersenen ervoor zorgen dat we die handelingen gemakkelijker uitvoeren. Het belang van die vaardigheden moeten we niet onderschatten. Ons werk en sociaal leven draaien meer en meer om het gebruik van elektronische media. Als we sneller om kunnen gaan met die media en handiger worden in het switchen tussen allerlei online-taken, worden we waarschijnlijk waardevollere werknemers, en zelfs waardevollere vrienden en collega’s.
Ons werk hangt af van connectiviteit en ons dagelijks plezier, en is er in toenemende mate mee verbonden. Het web biedt veel praktische voordelen en dat is de belangrijkste reden waarom we zo vaak online zijn. Maar het zou een grove fout zijn om met oogkleppen te kijken naar de voordelen van het net en te concluderen dat de technologie ons intelligenter maakt. Als gevolg van de constante aandachtsverschuiving die plaatsvindt wanneer we online zijn worden onze hersenen soepeler als het gaat om multitasking. Als we beter kunnen multitasken, functioneren we dan ook beter, dat wil zeggen, zijn we dan creatiever, inventiever en productiever? Het antwoord luidt in de meeste gevallen ‘nee’. Hoe meer je multitaskt, hoe minder je gericht wordt en hoe minder je in staat bent na te denken over een probleem en dat op te lossen. Je gaat veel meer vertrouwen op conventionele ideeën en oplossingen in plaats van die op de proef te stellen met originele gedachten.
Naarmate we meer ervaring krijgen in het snel verleggen van onze aandacht zijn we misschien in staat ‘een deel van de inefficiënties’ van het multitasken te overwinnen, ‘ maar behalve in zeer speciale omstandigheden kun je oefenen tot je een ons weegt. Je zult nooit zo goed zijn wanneer je je focust op een ding tegelijk. Multitasken is niets anders dan het aanleren van vaardigheden op een heel oppervlakkig niveau. Misschien dat de Romeinse filosoof Seneca het tweeduizend jaar geleden nog het best verwoordde: wie overal is, is nergens.’
Een reeks van psychologische onderzoeken heeft aangetoond dat mensen blijk geven van veel meer aandacht, een sterker geheugen en een verbeterde cognitie wanneer ze een tijdje in een landelijke omgeving hebben doorgebracht. Hun hersenen worden kalmer en scherper. Op internet is er geen vredige plek waar contemplatie haar wonderbaarlijke heilzame werking kan verrichten. Daar vinden we alleen maar de eindeloze hypnotiserende drukte van de winkelstraat. De prikkels van het net kunnen, net als de prikkels van de stad opkikkerend en inspirerend werken. We zouden ze niet willen missen, maar ze zijn ook vermoeiend en afleidend. Ze kunnen vrij gemakkelijk alle rustiger vormen van gedachten verstikken. Een van de grootste gevaren die ons bedreigen wanneer we de macht over de stroom van onze gedachten en herinneringen in handen leggen van een machtig elektronisch systeem, is een langzame uitholling van onze menselijkheid en onze mensheid.
Het is niet alleen het diepe denken dat een rustige en aandachtige geest vereist, ook empathie en compassie hebben een dergelijke geestesgesteldheid nodig. Uit psychologisch onderzoek blijkt dat we minder in staat zijn subtiele, typisch menselijke vormen van empathie, compassie en andere gevoelens te ervaren. Voor sommige soorten gedachten, vooral morele beslissingen over sociale en psychologische situaties van anderen, hebben we voldoende tijd en reflectie nodig. Als dingen te snel gebeuren, kun je wellicht nooit ten volle de gevoelens ervaren die de psychische toestand van anderen betreffen. Het zou te ver gaan om te concluderen dat het internet ons moreel besef ondermijnt, maar we kunnen wel stellen dat terwijl het web de vitale paden in onze hersenen herschikt, ons vermogen tot contemplatie vermindert en de diepte van zowel onze gedachten als van onze gevoelens vermindert.
klik hier voor het boek ‘Het ondiepe, hoe onze hersenen omgaan met internet’

Categorie







Tags: 




