Persoonlijk zie ik het oorspronkelijke christendom (dus niet het christendom dat de kerken ervan gemaakt hebben) als een vernieuwde synthese van universeel bevrijdend innerlijk weten dat voorgaande religies en mysteriën hebben onderwezen en beleden. De vraag of Jezus van Nazareth heeft bestaan of niet doet voor mij dan ook niet ter zake. De evangeliën zijn voor mij symbolische verslagen over innerlijke vrijmaking. Op internet vond ik een interessant artikel van Joseph H. Fussell dat tien jaar geleden gepubliceerd is in het theosofisch tijdschrift Sunrise. Hieronder volgt een samenvatting van dat artikel.
Er is beweerd dat de opstanding van Jezus de meest verbazingwekkende gebeurtenis in de hele geschiedenis is, maar als we kijken naar de literatuur van India, Egypte, Griekenland en andere volkeren uit de oudheid, zien we dat het geen unieke gebeurtenis is, maar een terugkerende ervaring – en daarom niet minder maar meer inspirerend en betekenisvol.
Er is niet één volk dat geen heiland of messias, avatara of boeddha had, die hen onderrichtte en hen het ware levenspad toonde. Er waren vele christussen in de eeuwen vóór Christus over wie dezelfde legenden en wonderen worden verteld. India had haar Krishna, en later Gautama Boeddha; China, Fo-hi en Yu; in Egypte, Osiris en Horus; Perzië had de lijn van Zarathoestra’s; in Griekenland vinden we Apollo en Dionysus van de mysteriën; in Amerika, Quetzalcoatl. Er kunnen nog anderen worden genoemd die ‘goddelijk’ ontvangen werden, uit een ‘maagd’ geboren, die zijn afgedaald naar Hades, uit de dood zijn opgestaan, en opgestegen naar de onsterfelijken.
Is het dan verwonderlijk dat er mede door zulke opvattingen van de godheid, nadruk wordt gelegd op het goddelijke en de onsterfelijkheid van de mens en zijn opstanding? De oude Egyptenaren beschouwden de opstanding namelijk niet als een eenmalige gebeurtenis in het leven van Osiris, maar eerder als een mogelijke ervaring van de ziel voor hen die daarvoor in aanmerking kwamen. We lezen in het Ritueel over ‘een lijdende en een stervende God’ van wie het hart wordt gewogen tegen de veer van de waarheid en, als blijkt dat het geen onwaarheid bevat, wordt hij ‘één met Osiris’, een ‘zoon van de zon’.
De opvatting in het christendom is echter dat Jezus de eniggeboren Zoon van God is die voor de zonden van de wereld heeft geleden, die werd gekruisigd en begraven, en na drie dagen is opgestaan, die overwinnaar van de dood is, Verlosser van de mensheid; en door zijn lijden en dood zullen voortaan allen die in hem geloven en die deelnemen aan het mystieke sacrament van de eucharistie, één met hem worden en delen in de glorie van zijn opstanding. Nog opmerkelijker is dit als we ons realiseren dat vijfhonderd jaar voordat de Nazarener kwam, de Griekse toneelschrijver Euripides de rite van de doop en de viering van de eucharistie als essentiële kenmerken van de orfische mysteriën beschreef. Eigenlijk vond een aantal van de heiligste riten en ceremoniën, die door velen als uitsluitend christelijk werden beschouwd, hun oorsprong bij de zogenaamde heidenen. Robert Taylor vertelt ons:
De mysteriën van Eleusis, of het sacrament van het laatste avondmaal des Heren, was de meest verheven van alle heidense ceremoniën die werden gevierd, en wel in het bijzonder elke vijf jaar door de Atheners ter ere van Ceres, de godin van het graan, die, in allegorisch taalgebruik, ons haar vlees te eten had gegeven; zoals Bacchus, de wijngod, ons op dezelfde wijze zijn bloed te drinken had gegeven . . . Uit deze ceremoniën is evenzo de naam afkomstig die verbonden is aan ons christelijke sacrament van het laatste avondmaal des Heren – ‘die heilige mysteriën’; en niet één of twee, maar werkelijk alle gebruiken die in onze christelijke plechtigheid in acht worden genomen.
Als we onze aandacht richten op het verre noorden, vinden we het verhaal van Odin, zoals verteld in de Scandinavische Edda. Hoewel hij vader van de goden was, schepper van de mensen en de personificatie van wijsheid, was hij ook een ‘lijdende en stervende God’, die door zijn kruisiging de verlosser van de mensheid werd. In zijn Runelied zegt Odin:
Ik weet dat ik aan een boom hing die door de wind heen en weer werd gewiegd, negen lange nachten. Gewond door een speer en aan Odin geofferd – mijzelf aan mijzelf – 
Aan die boom waarvan niemand weet uit welke wortel hij is voortgekomen.
In vroegere tijden leerde men dus een meer universele voorstelling van de opstanding. Ze was het hoogste doel van inwijding, de maagdelijke geboorte van de ziel, die ieder voor zichzelf moet bereiken. ‘Als een mens niet is wedergeboren kan hij het koninkrijk niet binnengaan.’ Maar om deze wedergeboorte, deze opstanding te bereiken, moet er eerst een mystieke dood plaatsvinden, een overwinning of kruisiging van alle aardse hartstochten, en een afdaling naar de onderwereld. Onze eigen ziel moet zich in zichzelf ontmoeten en triomferen over al de machten van de duisternis en, zoals Dionysus en Christus en Odin, één worden met haar God.
Het verhaal over het lijden, de dood en de opstanding van de leraar uit Nazareth zoals het wordt weergegeven in de evangeliën, is in essentie hetzelfde als het verhaal dat eeuwen daarvoor over andere verlossers werd verteld: dezelfde leringen, dezelfde riten en sacramenten, dezelfde kruisiging van het zelf, dezelfde hoop op opstanding, die nu in het christendom worden gevierd. Dit vormde de kern van de wijsheidsleringen uit de oudheid die behoren tot het grootste erfgoed dat aan ons is overgeleverd, aan elk volk en elke eeuw overgebracht door zijn goddelijke verlosser die zijn leven heeft gegeven, niet alleen voor zijn eigen volk, maar voor de hele mensheid.
De terugkeer van de lente is het bewijs van de natuur, zoals de opstanding het goddelijke bewijs is, dat er voor de ziel geen dood bestaat. Het zaadje verdwijnt in de grond en weldra ontspringt er een bloem, een tarwehalm, een boom. Toch moest de uiterlijke vorm eerst afsterven voordat de levenskracht binnenin naar het licht kon groeien. De weg van de natuur is een kalme en toch constante opeenvolging van dag en nacht, zomer en winter, geboorte en dood, tot tenslotte, na vele cyclussen, alles wat de aarde ons te leren heeft, zal zijn geleerd.
Maar de ‘dood’ en ‘wedergeboorte’ zoals in de oude scholen werd onderwezen was wel iets meer dan waarvan wij elk jaar getuige zijn, hoe inspirerend dit ook is. De methode en het doel van ‘de mysteriën’ waarover Jezus sprak is een versneld proces – voor hen die de moed hebben deze taak op zich te nemen – de overwinning van het zelf, de triomf over de dood, de opstanding van de Christos die woont in het hart van de mens.
De bovenstaande plaat van de schilder Johfra heeft als titel Zoon der slangen. De beschrijving bij dit kunstwerk luidt:
‘Hij heeft zichzelf, levende, tot een graf gemaakt’. Uit het graf van de natuur rijst de Zoon op, bekleed met het Gouden Bruiloftskleed van de nieuwe ziel. Hij is de nieuwe Mercurius, de driemaal grote Hermes, zijn hoofd gesierd met de gouden wonderbloem van het nieuwe denkvermogen, in zijn handen de vurige slangen van het vernieuwde spinale fluïde, het positieve en het negatieve aanzicht. De vijf contactpunten van de nieuwe ziel met de getransfigureerde persoonlijkheid stralen als rozen. Hij heeft zijn Pymander gevonden. Zo rijst hij op, één met de Geest, van heerlijkheid tot heerlijkheid, achter zich latende de doodsbeenderen van de vele mislukte pogingen in de woestijn van het dialectische leven.

Categorie








Tags: 




