In gesprekken met geestverwanten heb ik nogal eens gezegd dat ik de indruk heb dat ik chemie heb moeten studeren om de alchemie te ontdekken. Voor wetenschappelijk geschoolde lijkt dat een ongerijmdheid omdat de alchemie vaak wordt gezien als een primitieve voorloper (met veel bijgeloof) van de chemie, die uiterst waardevol is in onze samenleving. Deze opvatting is tot op zeker hoogte juist.
Veel alchemische geschriften gaan echter niet primair over scheikunde, maar over psychische en geestelijke processen in de mens. Alchemisten gebruikten scheikundige termen op greep te krijgen op onderwerpen die verband houden met psychologie, theologie en filosofie.
In april 1989 heb ik deelgenomen aan een congres over alchemie in Groningen. Naar aanleiding van dat congres en de tentoonstelling ‘Het is niet alles goud; alchemistische praktijk en filosofie’, heb ik een artikel geschreven dat destijds is gepubliceerd in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad. In dit bericht zal ik stukken uit dat artikel citeren.
Binnen de alchemie hebben altijd twee stromingen bestaan: een traditie waarin uitsluitende de bestudering van chemische omzettingen centraal stond en een spirituele richting. Alchemisten van de spirituele stroming beschouwen de omzetting van onedele metalen in goud zuiver symbolisch: de mens moet in zichzelf het onedele omzetten in het edele om op een hoger niveau en in een andere dimensie te kunnen functioneren.
Het bijzondere van de alchemie was dat beide benaderingswijzen elkaar aanvulden. Dit bemoeilijkt de interpretatie van alchemistische geschriften omdat niet altijd duidelijk is of de beschrijvingen letterlijk of symbolisch zijn bedoeld.
De ‘stoffelijke’ alchemie, waaruit later de moderne scheikunde groeide, ontstond ongeveer aan het begin van de jaartelling. De spirituele richting van de alchemie is terug te voeren tot de filosofie die wordt toegeschreven aan de Egyptische wijze Hermes Trismegistus, over wie historisch niets bekend is. Een basistekst in de alchemie die aan Hermes wordt toegeschreven is de zogeheten Smaragden Tafel (of Tabula Smaragdina), die ik in een apart bericht zal opnemen. In de Renaissance kwamen er vertalingen beschikbaar van hermetische geschriften. Vanaf die tijd kreeg de spirituele richting van de alchemie in Europa een stevige basis.
In het Westen introduceerde de Zwitserse arts Paracelsus in de zestiende eeuw de alchemie in de geneeskunde. Van hem is de uitspraak: de alchemie is het proces volgens hetwelk men de geneesmiddelen toedient, in overeenstemming met de stand van de sterren, het ware doel van de alchemie is het bereiden van geneesmiddelen.
Wie zich in Europa aan alchemie wilde wijden moest zich grote opofferingen getroosten. Allereerst moest een oven en een kostbare laboratorium-inventaris worden aangeschaft. Voordat de alchemist aan de slag kon, moest hij eerst moeilijke, meestal onvertaalde teksten interpreteren. De interpretatie van zulke werken was gewoonlijk zeer moeilijk omdat de alchemisten hoofdzakelijk schreven in duistere symbolen die moeilijk te duiden waren.
De experimenten kosten veel tijd omdat het vuur dagenlang brandende moest worden gehouden. Verder moest de alchemist opletten geen ongelukken te veroorzaken zoals het oplopen van brandwonden, kwikvergiftiging of loodvergiftiging. Aangezien een ‘goudmaker’ door de samenleving met grote argwaan werd bekeken, werkten veel alchemisten in het geheim. De bekende natuurkundige Isaac Newton heeft in het geheim een groot deel van zijn leven gewijd aan alchemie.
De bekende psycho-analyticus C.G. Jung heeft erop gewezen dat een alchemist door het doen van proeven met zichzelf werd geconfronteerd. Door overdenking van zijn experimenten verschijnen er symbolen in het bewustzijn van de alchemist die een universeel karakter hebben. Jung noemde zulke symbolen archetypen. Hij schrijft:
Al het onbekende en onvolledige wordt door psychologische projectie ingevuld; het is alsof de psychische achtergrond van de waarnemer zich in het duister weerspiegelt. Wat hij in de stof ziet en meent te herkennen, zijn allereerst zaken uit zijn eigen bewustzijn, die hij erin projecteert. Dat wil zeggen, hij ziet in de stof de eigenschappen en mogelijke betekenissen die er schijnbaar aan zijn verbonden, en is zich in het geheel niet bewust van hun psychische aard.
Volgens de alchemistische traditie kon een alchemist via het verrichten van stoffelijke experimenten tot geestelijke kennis komen. De alchemie bleek een prima middel om hermetische leringen te verspreiden zonder dat kerkelijke autoriteiten daar lucht van kregen, zodat vervolging in opdracht van de kerk kon worden vermeden. Volgens de toenmalige kerk was de hermetische filosofie ketterij.
Omstreeks de zeventiende eeuw beginnen de spirituele alchemie en de meer natuurwetenschappelijk georiënteerde alchemie zich van elkaar los te masken. De hermetische filosofie, verrijkt met alchemistische symboliek, vindt een onderkomen in esoterische genootschappen, waarvan de rozenkruisers en de vrijmetselaars het bekendst zijn. In de andere stroming komen langzaam inzichten tot ontwikkeling die de fundamenten zijn geworden van de hedendaagse chemie.

Categorie







Tags: 




